over werk,

Drie jaar

Donderdag
Schapenwolkjes
14.7.2016
10:47-12:56 (trein)
naar een opening

Bollocks, bollocks, bollocks. Have you seen my glasses?
‘William’ in Notting Hill (1999)

 Facebook heeft inmiddels de gewoonte om ‘herinneringen’ met je op te halen. Of je nou wil of niet. Tot vanochtend wilde ik dit niet. Ik lig nog in bed en pak mijn laptop erbij om het opstaan nog heel even uit te stellen. Facebook laat me twee foto’s van drie jaar geleden zien, de dag dat ik mijn hondje op ging halen. Zo lang is het alweer geleden dat die grote kleine vriend bij me ging wonen. Ook was dat het laatste jaar waarin ik mijn haar met een tondeuse afschoor, dat mijn flat er als een kraakpand uitzag en ik nog bij mijn oude werkgever werkte. En juist vandaag ga ik voor het eerst terug naar het museum waar ik destijds –via die vorige baan- voor werkte.

De trein gaat pas om kwart voor elf dus ik doe het rustig aan. Té rustig. Dus het is haasten om nog gedoucht de deur uit te kunnen. Mijn bril – ik had hem net nog – vóór ik ging douchen… maar nu is hij nergens. Ik bel mijn moeder omdat ik niet kan beslissen of ik door moet zoeken of de trein moet halen. Ze neemt niet op. Ik besluit voor de trein te gaan en grijp een oude bril uit de vitrinekast. Dan bekijken we vandaag de wereld wel door de glazen van vijftien jaar geleden. Eigenlijk wel toepasselijk aangezien ik naar een opening van een museum ga in de stad waar ik vroeger naar school ging, met die oude bril op.

Ik ben zenuwachtig. Het is dus drie jaar geleden dat ik voor mijn toenmalige baan hier was. Daarna ging ik bij die werkgever weg en had ik een iets minder goede periode. Dit museum is onlosmakelijk verbonden met het gevoel van falen dat ik in die tijd had. Niet alleen ik ben in de tussentijd veranderd. Het museum heeft een nieuwe directeur. Eentje die ik via een ander museum ken, want daar hebben ze een werk van me aangekocht. Oftewel, ik heb het idee dat het goed is om mijn neus te laten zien en de beste man even moet groeten, maar mijn hemel, wat is dat toch een ramp. Daar sta ik dan bij zo’n typisch openingspraatje met een glaasje warme witte wijn in mijn hand. Wanneer stap ik op hem af?

Eerst maar oefenen op iemand die ik ken als ‘de buurman van’. Ik hoop dat de lagere drempel het makkelijker maakt. De ‘proefpersoon’ staat al een hele tijd met dezelfde mensen te praten, dus ik gok dat de belangrijke gesprekken nu wel zo’n beetje afgehandeld zijn. Nu kan ik subtiel mijn hoofd om de hoek van een schouder steken. Ik ga ervoor! Ik zwaai, lach, hij lacht terug maar wendt zich vervolgens af en gaat verder met zijn gesprek. Helaas. En wat dan? Blijf je dan staan? Maakt hij z’n verhaaltje af en komt hij me daarna nog dag zeggen? Of kan ik me nu beter uit de voeten maken? Ik treuzel nog een beetje, maar de persoon in kwestie geeft geen enkel teken dat hij nog mijn kant op gaat komen. Ik scharrel voorzichtig richting de bar.

De directeur komt de trap af. Nu is mijn moment! Ik ben nog te ver weg om hem meteen aan te schieten en het op een holletje zetten lijkt me geen goed idee. Dus eer ik me subtiel heb verplaatst, is hij alweer met iemand anders in gesprek. Naja, dan maar weer verder met die heerlijke lauwe wijn. Ondertussen zie ik dat er verderop een opening in het gesprek ontstaat. Het is nu of nooit. Ik wandel op hem af, schud hem de hand en stel me voor. Het duurt een paar seconden voor bij hem het kwartje valt, maar ik hoor het rinkelen en we hebben een leuke conversatie. Hé hé, poeh poeh, nou nou, zo zo. Ik giet die laatste slok naar binnen, doe nog een rondje door de tentoonstelling en maak vervolgens dat ik weg kom. Ik wil samen met mijn moeder thuis op de bank in mijn trainingbroek een slechte film kijken en thee drinken. Wat heb ik toch een hekel aan netwerken.